Waar wij vandaan komen. Hoe het komt dat wij denken

Over dat er mensen zijn die in niet-bestaande zaken geloven.

| 0 comments

Vaststelling van het feit dat er altijd wel mensen zijn die in niet-bestaande zaken geloven

De evangelische organisatie TRIN beweert dat er wonderbaarlijke genezingen hebben plaatsgevonden in Birma. Meerdere blinde mensen zouden, na tot god gebeden te hebben, ziende zijn geworden. Journalist Karel Smouter heeft een aantal van die mensen opgezocht, maar geen van hen, noch van de mensen uit hun omgeving, hebben de wonderbaarlijke genezingen bevestigd. Toch zijn er velen die er wel geloof aan hechten. Diametheus ziet in dit gebeuren een voorbeeld voor een veel verder verbreid fenomeen, namelijk het fenomeen dat veel mensen geloof hechten aan zaken die niet bestaan, maar door fantasten als wel-bestaand worden gebracht.

 

Voorbeelden van niet-bestaande zaken, waaraan mensen geloof hechten

Ter verduidelijking moet eerst de volgende opmerking worden geplaatst. Diametheus legt in zijn boek “Geagonia, de biobijbel volgens Diametheus” uit hoe in zijn visie lang geleden mensen in goden zijn gaan geloven. Daarbij spelen niet-verklaarbare zaken een grote rol. Zaken die onmiskenbaar wel werden waargenomen (bijvoorbeeld een bliksem), maar waarvoor geen verklaring kon worden gevonden (althans in prehistorische tijden), werden bijna als vanzelf (zie Geagonia) toegeschreven aan goden. Het geloof in goden is daarmee een manier om alles te verklaren waar de menselijke geest behoefte aan heeft. Daar was en is in principe niets mis mee, men heeft nu eenmaal een denkkader nodig. In onze tijd echter, en dan met name sinds de Verlichting, zo analyseert Diametheus, zijn er nog altijd mensen die denken in het inmiddels verouderd religieus denkkader en zaken toeschrijven aan goden; er zijn namelijk perfecte verklaringen voor die zaken, zodat er geen god meer bij hoeft te komen kijken. Maar een stap verder, en daar gaat het Diametheus hier om, analyseert hij dat er mensen zijn die zaken beweren te hebben waargenomen die in het geheel niet waargenomen zijn, om maar te kunnen vertellen dat er goden zijn die achter de verzonnen zaken zouden zitten; hun louter doel is om anderen er toe over te halen om via hen geloof te (blijven) hechten aan het bestaan van god of van goden.

Los van de goden stelt Diametheus meer in het algemeen dat men het zo gek niet kan verzinnen, of er zijn altijd wel mensen te vinden die er geloof aan hechten. Dit geldt niet alleen voor het doen geloven in goden, maar ook voor het doen geloven in de werkzaamheid van “geneesmiddeltjes” tegen allerlei kwalen, de zogenaamde kwakzalverij. Een ander voorbeeld van iets wat is verzonnen, wat niet bestaat, maar waarvan de mensen dachten dat die wel bestonden, waren grote monsters met vleugels; zie hiervoor de prachtige tekening door J. Jonstons (Amsterdam, 1660) van de vervaarlijke Draco Aethiopicus. Tenslotte neemt Diametheus als voorbeeld verzonnen zaken, die door mensen over andere mensen worden verteld; iemand die door een ander van een misdaad wordt beschuldigd, ook al heeft hij die niet begaan, zal toch door een aantal mensen worden gezien als een schuldige of als een mogelijk schuldige; deze vorm van smaad heeft al menigeen te gronde gericht, smaad is een van de ergste vormen van misdaad, want, in tegenstelling tot huidwonden, genezen smaadwonden nooit, het zijn wonden die zelfs na de dood nog door blijven etteren; ook al rust de beschuldiging niet op feiten, toch wordt er door mensen aan deze smaad geloof gehecht; zelfs een rehabilitatie achteraf kan hier nooit helemaal een einde aan maken.

Over de kracht van de verbeelding

Het is de analyse van Diametheus dat de belangrijkste gemene deler van alle “zin” en van alle “onzin” (in de betekenis van “niet-bestaande zaken”, door fantasten verzonnen) die door mensen wordt geloofd, bestaat uit het feit dat deze zin of deze onzin voorstelbaar is in de menselijke geest in de vorm van plaatjes; het is voor de menselijke hersenen niet relevant of deze plaatjes grond hebben in de werkelijkheid of in de fantasie. Blinden die ziende worden, geneesmiddeltjes tegen van alles en nog wat, beschrijvingen van monsters en het doen van smadelijke uitspraken over derden hebben alle gemeen, dat deze zaken heel concrete plaatjes kunnen oproepen in de menselijke geest; en deze verbeelding is zo krachtig, dat die, zodra die, gelijk onkruid, ergens in de hoofden van mensen heeft wortel geschoten, nooit meer geheel kan verdwijnen, ook al berust de verbeelding volledig op  fantasie, op niet-bestaande zaken en onware gebeurtenissen. Zolang men dus aan mensen een voorstelbaar plaatje voorspiegelt (goden, monsters en wondermedicijnen die zouden bestaan, of misdaden die gepleegd zouden zijn), zijn er altijd wel mensen te vinden die er in geloven. Volgens Diametheus is dit een algemene regel.

Macht

Diametheus concludeert dat er altijd wel mensen zijn die verzonnen zaken voor waar aannemen; het gaat hierbij niet meer om datgene wat er zogenaamd is waargenomen, maar het gaat er bij de “onzinverkoper “om om gemakkelijkgelovige (in deze context is dit een betere term dan “goedgelovige”) mensen in goden, monsters, wondermiddeltjes of niet-begane misdaden te laten geloven. Deze gemakkelijkgelovige mensen worden “volgers” van degenen die de fantasie verkopen; hiermee is het een laakbaar machtsspel geworden dat door “onzinverkopers” wordt gespeeld.

 

Leave a Reply

Required fields are marked *.