Geagonia
Geagonia is de Biobijbel volgens Diametheus. Het is daarmee Diametheus’ verhaal van de ontstaansgeschiedenis van Aarde (in Oudgrieks “Gea”) en van dat wat uit Aarde is voortgekomen, inclusief de mens. Het Oudgriekse “gonos” of “gonia” betekent zowel “wording” als “het gewordene”. De titel die Diametheus aan zijn verhaal meegeeft is daarom “Geagonia”.
Diametheus vertelt in zijn boek Geagonia één doorlopend verhaal met een begin en een eind. Het eerste hoofdstuk neemt de lezer gelijk al in de greep van de abstracte denkwijzen van Diametheus. In hoofdstuk 1 wordt namelijk een beschrijving gegeven van elementaire deeltjes. Deze is nodig omdat hoofdstuk 2 gaat over de beginimpuls die het heelal heeft doen ontstaan. Die beginimpuls is alleen te begrijpen als bij de lezer het principe van de elementaire deeltjes bekend is. De beginimpuls duurt een fractie van een seconde en staat aan de basis van honderdduizenden jaren met slechts waterstof en helium in een uitdijend heelal.
In hoofdstuk 3 staat beschreven hoe de zwaartekracht er voor zorgt dat uit waterstof en helium gedurende 13.7 miljard jaren, tot op de dag van vandaag, sterren en planeten worden gesmeed en hoe tijdens gewelddadige explosies van sterren atomen van alle soorten scheikundige elementen ontstaan. Deze atomen vormen in hoofdstuk 4 de bouwstenen voor moleculen. In hoofdstuk 5 wordt uitgelegd hoe deze moleculen vier miljard jaar geleden, althans op Aarde, niet anders kunnen dan leiden tot leven. Het leven verschijnt in drie verschillende vormen: bacteriën, archaea en cellen. Hoofdstuk 6 geeft een beschrijving van hoe, vanaf 4 miljard tot 1,3 miljard jaar geleden, deze drie verschillende levensvormen zich ontwikkelen, hoe achthonderd miljoen jaar geleden de eerste meercellige wezens ontstaan en hoe hieruit, ruim vierhonderd miljoen jaar geleden, de gewervelde dieren voortkomen.
Anatomisch onderdeel van gewervelde dieren is het centraal zenuwstelsel, de hardware voor het denken. Hieraan zal in hoofdstuk 7 aandacht worden besteed. De ontwikkeling van de hersenen wordt beschreven vanaf het lancetvisje, als laatste voorstadium van de gewervelde dieren, tot en met de mens, tweehonderdduizend jaar geleden. De conclusie hieruit wordt gebruikt om in hoofdstuk 8 aan te geven hoe de mens zich ontwikkelt. Daarbij blijft de focus gericht op de ontwikkeling van hersenen en het typisch menselijke gebruik van die hersenen. Mensen gebruiken namelijk hun hersenen om een systeem van woorden uit te bouwen als communicatiemiddel.
In hoofdstukken 9 en 10 komt de evolutie van mensen aan bod, waarbij blijkt hoezeer klimaatwijzigingen de evolutie bepalen. Ook wordt beschreven hoe en waar tijdens die evolutie mensen het woordsysteem ontwikkelen. Duidelijk wordt waarom alle mensen op aarde woorden gebruiken. Woorden zorgen niet alleen voor communicatie, maar ook voor onzekerheid. Omdat de mens nu eenmaal niet in onzekerheid leven kan, wordt verklaard hoe de mens een oplossing vindt om toch met deze onzekerheid te leven. Deze verklaring gaat uit van de oerdrang tot duiden als middel tot het intomen van de angst die met onzekerheid gepaard gaat.
In hoofdstuk 11 worden, onder andere gebaseerd op Hesiodos’ Theogonia, maar vanuit een biologisch standpunt bezien, het polytheïsme en het monotheïsme geanalyseerd als zijnde cultuurverschijnselen, die onzekerheden beheersbaar lijken te maken. Tenslotte geeft hoofdstuk 12 een soort van samenvatting van het verhaal van Diametheus, een samenvatting die de Genesis (1-6) van de Bijbel vervangt. Geagonia is de Biobijbel volgens Diametheus.
